Mennink's Belastingadvies

  Euro
 
 

NIEUWSBRIEF

 

Iedereen met een spaarrekening weet dat de rentebijschrijving niets meer voorstelt. De heffing over vermogensinkomsten in box 3 van de inkomstenbelasting viel maatschappelijk steeds slechter te verkopen. Nu zijn er eindelijk plannen voor herziening, verderop leest u er meer over. Positief nieuws is te melden van het koopkrachtfront, waarbij de burger er qua belastingheffing op vooruit moet gaan. Voor ondernemers biedt deze nieuwsbrief nog relevante onderwerpen; de mogelijkheden die de nieuwe kleineondernemersregeling voor de BTW kent, de ontwikkeling van de tarieven in de vennootschapsbelasting en de fiscale kant van elektrisch rijden.

  gebouwgroot.jpg

 Ook buiten de Europese Unie krijgt de spaarder vrijwel geen rente meer. Bij de Berner Kantonalbank (op de foto het kantoor in Bern) wordt tot 50.000 Frank 0,05% vergoed.

 Hoofdpijndossier opgelost?

 Door de steeds lagere rente op spaartegoeden liep de belasting hierover in box 3 steeds meer uit de pas met de daadwerkelijk ontvangen rente. Grote en kleine spaarders uitten hierover hun ongenoegen en veel mensen stapten naar de belastingrechter. Hoewel de belastingrechters de wet niet konden veranderen, gaven zij wel een signaal aan de overheid dat het zo niet langer kon.

In kleine stapjes is de belastingdruk al wat afgenomen, maar vanaf 2022 vindt een grote ingreep plaats. Nog steeds is er geen belastingheffing over het daadwerkelijke rendement, maar het forfait (het denkbeeldige rendement) daalt voor spaarders tot 0,09%. Gecombineerd met een tarief van 33% en een heffingsvrij inkomen van 400 euro zou dit er toe leiden dat spaarsaldi tot ruim 4 ton niet belast zullen worden.

Een oplossing voor de groep spaarders leidt weer tot nadelen voor houders van andere bezittingen zoals beleggingen, onroerend goed en vorderingen. Deze niet-spaartegoeden worden vanaf 2022 belast naar het hogere forfait van 5,33%. Schulden in box 3 kennen een eigen weging van 3,03%, zodat de financiering van een tweede huis of beleggingen niet zomaar kan worden weggestreept tegen het forfait van 5,33%. Gecombineerd met een tarief van 33% ligt de daadwerkelijke belastingdruk dan op 1,78% van het vermogen.  Voor laagrenderende bezittingen zoals een vakantiehuis pakt dat duurder uit.  Beleggers halen gemiddeld wel een beter rendement, maar er kunnen ook behoorlijke verliezen worden geleden. Daarnaast zullen de nieuwe regels weer discussies oproepen voor mensen die switchen tussen sparen en beleggen.

Situatie 2020

Het huidige stelsel blijft ook in 2020 relevant. De vrijstelling wordt iets verhoogd naar € 30.846 per persoon. De eerste schijf van 72.979 euro wordt belast met 0,55% van het vermogen, het bedrag daarboven kent een belastingheffing van 1,27%. Miljonairs in box 3 betalen nog wat meer met 1,60% van hun vermogen boven een waarde van € 1.005.572.

 Wat kunt u doen om de heffing te beperken?

·         Los schulden af, dat geldt voor zover mogelijk ook voor de hypotheek;

·        Als u toch iets duurs wil kopen als een auto, is het zinvol dat al voor de jaarwisseling te doen en uiteraard de betaling overgemaakt te hebben;

·         Ondernemers kunnen wat meer geld in hun onderneming aanhouden;

·         Sommige groene beleggingen zijn vrijgesteld en kennen nog een aanvullende heffingskorting;

·         Tegoeden op bankspaarrekeningen tellen niet mee voor box 3;

·         Vermogenden kunnen hun geld soms beter in de BV houden of daarin storten. 

Lagere tarieven en hogere heffingskortingen

Met zowel hoogconjunctuur als een regering die zich graag wil bewijzen op het koopkrachtgebied is er positief nieuws voor de inkomstenbelasting. De tarieven dalen en de heffingskortingen worden hoger.

Wat gaat er in 2020 veranderen?

Eerder was al aangekondigd dat het aantal schijven wordt teruggebracht; vanaf volgend jaar bestaan er tot de AOW-leeftijd maar twee tarieven. Het lage tarief van 37,35% geldt tot een inkomen van 68.507 euro. De beperkte groep die meer verdient betaalt over het meerdere een toptarief van 49,5%.

Verdere koopkrachtverbetering komt door de verhoging van de algemene heffingskorting naar maximaal € 2.711 en € 1.413 voor AOW-gerechtigden, een plus van respectievelijk 234 en 145 euro.

Ook stijgt de maximale arbeidskorting met 196 euro naar € 3.595. De heffingskortingen zijn bedragen die van de te betalen belasting worden afgetrokken, zodat het steeds om nettobedragen gaat.

Het relatief grote voordeel van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers wordt uiteindelijk afgebouwd naar een aftrek van 5.000 euro. Voor 2020 daalt deze aftrek met 250 euro naar 7.030 euro. Samen met de verhoogde arbeidskorting zouden zelfstandigen er toch op vooruit gaan in 2020.

 Aftrekposten minder waard

Een consequentie van de lagere tarieven is dat aftrekposten ook tot minder netto voordeel leiden. Daarnaast worden aftrekposten in de toekomst alleen tegen het lage tarief van 37,35% verrekend. Vooral de aftrekpost eigen woning heeft hier mee te maken. Voor 2020 is de maximumaftrek nog 46% terwijl dat in 2019 nog 49% is, daarna daalt het percentage elk jaar met stappen van 3% tot het niveau van de eerste schijf. Hier zullen vooral beterverdienenden met een grotere hypotheekschuld last van hebben. Andere posten waar de verlaging van de maximale aftrek pijn doet zijn bijvoorbeeld partneralimentatie, de giftenaftrek en de aftrek voor zorgkosten.

 Goed nieuws huurtoeslag

Op het gebied van huurtoeslag is er prettig nieuws. Tot en met dit jaar zijn er ‘harde’ grenzen voor de toekenning van deze toeslag; als het inkomen ook maar één euro te hoog is, kun je vele honderden euro’s aan huurtoeslag mislopen. Vanaf 2020 wordt de toeslag in een glijdende schaal afgebouwd, zodat je met een beperkte inkomensverhoging niet meteen wordt geconfronteerd met een volledig verlies van huurtoeslag. 

Winstgevende BV’s beter af

Ondernemingen die in een rechtsvorm als een BV of een NV gedreven worden betalen geen inkomstenbelasting, maar vennootschapsbelasting over hun winst. Daarnaast worden hun aandeelhouders belast voor de uitkeringen die zij uit dit soort rechtsvormen ontvangen. De tarieven in de vennootschapsbelasting dalen sterk, al is het voordeel voor bedrijven met winsten van boven de 200.000 euro minder gunstig dan eerder werd voorgespiegeld. Ook betalen bedrijven een deel van de lagere belasting door het verlies van aftrekmogelijkheden en een minder gunstige heffing over innovatievoordelen.

Het tarief in de eerste schijf tot € 200.000 is nu nog 19% en daalt in 2020 naar 16,5% en aansluitend in 2021 naar een tarief van maar 15%. Het tarief van boven de twee ton is nu 25% en blijft in 2020 gelijk, waarna een daling tot 21,7% in 2021 gepland is. Voor uitkeringen uit de BV (box 2 in de inkomstenbelasting) stijgt het huidige tarief van 25% naar 26,25% in 2020 en 26,9% in 2021. Hierdoor ligt het gecombineerde tarief (omdat je met beide heffingen rekening moet houden) op 39,25% in 2019, 38,42% in 2020 en 37,87% in 2021.

Overigens is een BV lang niet voor iedereen een goed idee. Verliezen zijn binnen de BV maar zeer beperkt te verrekenen. Ook is sprake van een verplicht salaris dat in box 1 is belast. Verder loop je in een BV voordelen mis zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Los hiervan is de lagere belasting voor winstgevende BV’s een prettig vooruitzicht.

  lada.png

 Gelukkig zijn moderne auto’s een stuk schoner, al hangt daar een prijskaartje aan. Op de foto een Lada uit een ander tijdperk.

 Aanschaffen die Tesla?

Elektrische auto’s worden steeds normaler in het straatbeeld. Het zijn vaak exclusieve auto’s die zeker twee bruto jaarsalarissen van een modale werknemer kosten. Zakelijke rijders genieten een aantal voordelen, waarbij je vooral moet denken aan de lage bijtelling. De bijtelling is een percentage van de nieuwwaarde van de auto die je bij het inkomen moet optellen, zodat je hier belasting over betaalt.

Voor ‘reguliere’  auto’s is de bijtelling momenteel 22%, terwijl elektrische auto’s een bijtelling kennen van 4% over de eerste 50.000 euro en 22% daarboven. Voor 2020 is de bijtelling over de eerste 45.000 euro verhoogd naar 8%. Als u nu een elektrische auto bestelt die in 2020 wordt geleverd met een cataloguswaarde van 90.000 euro, dan is de bijtelling 8% x 45.000 + 22% x 45.000 = 13.500 euro. Dit bedrag wordt via de loonstrook bij uw inkomen geteld. Als u in het hoogste tarief voor de inkomstenbelasting valt, kost dat netto 6.683 euro per jaar voor het privégebruik. Rijdt u aantoonbaar minder dan 500 kilometer privé, dan is er geen bijtelling.

Of een elektrische auto bedrijfseconomisch een interessante investering is, is lastig te bepalen. Bij een auto uit het voorbeeld van 90.000 euro, schrijft u al gauw 10.000 euro per jaar af. De variabele kosten zijn laag, omdat elektriciteit een stuk goedkoper is dan benzine of diesel. Daarnaast is de elektrische auto tot en met 2024 vrijgesteld van motorrijtuigenbelasting. Hoe de onderhoudskosten uitvallen is bij relatief nieuwe auto’s lastig te voorspellen, dat geldt ook voor de opbrengst bij verkoop op de tweedehands markt. Vergelijkt u de elektrische auto met een brandstofauto uit dezelfde (prijs)klasse, dan zal het verschil in bijtelling een belangrijk argument kunnen zijn voor een elektrische auto. Overigens wordt het belastingvoordeel na 2020 verder afgebouwd, zodat uiteindelijk de elektrische auto als een reguliere auto wordt belast.  

Kleine ondernemersregeling BTW verdwijnt. Vrijstelling van toepassing?

De omzetbelasting - of BTW in het spraakgebruik - kent al lang een gunstige regeling voor ondernemers met een bescheiden omzet. Als een ondernemer per jaar per saldo niet meer dan 1.883 euro aan omzetbelasting moet betalen, hoeft een deel of vaak het hele bedrag niet betaald te worden. Het saldo BTW is het verschil tussen de verschuldigde omzetbelasting minus de aftrekbare omzetbelasting die aan leveranciers en andere ondernemers is betaald. Bij een geringe omzet kan dit een aardige extra bate vormen, al telt deze opbrengst wel mee voor de bepaling van de winst voor de inkomstenbelasting.

Vanaf 2020 verdwijnt de kleine ondernemersregeling voor de BTW, maar komt een nieuwe regeling daarvoor in de plaats. Ondernemers die niet meer dan 20.000 euro omzet (basis exclusief BTW) behalen, komen in aanmerking voor de vrijstelling. Bij deze omzet telt zowel de reguliere als de naar derden verlegde omzet mee. Ook vrijgestelde omzet, bijvoorbeeld in het onderwijs of de zorg tellen mee voor de toets of de 20.000 euro wordt gehaald. 

Zodra u vrijgesteld bent van omzetbelasting, mogen er geen facturen meer met BTW worden uitgereikt. Ook kan geen BTW meer worden afgetrokken die leveranciers en anderen in rekening brengen. Dat kan behoorlijk nadelig zijn, vooral in situaties waarin u zelf voornamelijk goederen of diensten tegen het lage tarief van 9% omzet, terwijl de inkopen grotendeels met het hoge tarief van 21% belast zijn. Dus niet in alle situaties met een lage omzet ligt aanmelding voor de hand. 

De oude situatie maakt plaats voor de nieuwe regeling, zodat de oude regeling niet meer kan worden toegepast. Een belangrijk punt is dat van te voren een keuze moet worden gemaakt voor de vrijstelling of niet. Voor 2020 moet uiterlijk op 20 november 2019 een verzoek zijn ingediend bij de belastingdienst om vrijgesteld te worden. De keuze geldt voor drie jaar, maar als binnen die periode een jaaromzet van 20.000 euro wordt bereikt, wordt de vrijstelling beëindigd en gelden de ‘normale’ regels weer. 

Waar de oude kleineondernemersregeling alleen voor ‘natuurlijke’ personen bedoeld was, kunnen vanaf 2020 ook verenigingen en rechtspersonen als een BV van deze regeling gebruik maken. Voor een behoorlijke groep ondernemers is het goed om alvast na te denken over de mogelijke keuze van vrijstelling voor de omzetbelasting. 

Eigenwoningforfait hoger voor afgeloste hypotheken

Waar de eigen woning tientallen jaren een fiscaal paradijs was met aanzienlijke belastingvoordelen is deze post in de aangifte gekrompen tot op zijn best een kleine speeltuin. De beperking van de aftrek door de bijleenregeling, de verplichting vanaf 2013 tot annuïtair aflossen en de beperking van de maximale aftrek tegen het hoogste tarief  leidden al tot beperktere aftrekmogelijkheden. De lage rente en de gestegen WOZ-waarden zorgden daarnaast ook voor nog lagere aftrekposten.

Vanaf 2019 komt daar de beperking van het belastingvoordeel als je geen of een kleine eigenwoningschuld hebt. Tot en met 2018 kon geen sprake zijn van een positieve post voor de eigen woning in de aangifte. Als het eigenwoningforfait (een percentage van de WOZ-waarde) hoger was dan de aftrek voor hypotheekrente, werd dit ‘inkomensbestanddeel’  weer tot nihil teruggebracht. Sinds 2019 gebeurt dat maar gedeeltelijk. In 2019 is deze ‘kwijtschelding’ 96,67% van het eigenwoningforfait en in 2020 nog 93,33%, waarna deze regeling uiteindelijk in 30 jaar is afgebouwd. Bij een woning van 300.000 euro met een afgeloste hypotheek gaat het in 2019 om een last van 65 euro aan extra bruto inkomen, maar elk jaar gaat de afschaffing van het voordeel weer wat extra pijn doen. 

Ondanks de beperking van het voordeel van het vervallen deel van het eigenwoningforfait is het in de meeste gevallen toch verstandig om overtollig spaargeld zonder rendement te gebruiken voor (boetevrije) aflossingen van uw hypotheek.